De Hollandsche natie. (Tweede Zang.)

Op de eeuwige Alpen, dik met sneeuw en ijs umschorst,
Ontwringt de schoone Rijn zich aan der bergen korst:
Eerst sluipt hij nietig voort met ongewisse gangen,
Alseen versmade beek, naauw waard’ een’ naam te ontvangen.
Allengskens aangegroeid, schiet hij, langs breeder boord,
Met jonglings vuur en kracht, zijn stoute golven voort,
En stort bij Lauffen zich, met ongehoord gedonder,
In d’afgrond; schuimt, en bruist, en woelt, enwringt van onder
De klippen zich hervoort; getergd door wederstand,
Verbreekt, verbrijzelt hij de rotsen an zijn’ kant.
Een hel van water stort hij neêr met schriklijk klateren,
En heel de landstreek dreunt van de afgeschoten wateren!
Nu golft hij Duitschland door, met trotsche majesteit,
Langs rijke dorpen, aan zijn vruchtbren boord verspreid,
Langs bergen, lagchende van Bacchus zegeningen,
En steden, trotsch gebouwd, die zijnen lof bezingen.
Van Ehrenbreitsteins top ziet elk zijn’ slangenloop,
En groet hem, van die hoogte, als bronaâr van Euroop’. -
Ach! zoekdien schoonen stroom nuweêr bij Katwijks stranden!
Wat findt ge? een vuile poel, gesmoord in slijk en zanden.
Onedel en versmaad kruipt hij daar schandlijk voort,
Eer zich zijn drabbig nat in’t zand der duinen smoort.
De vreemdeling, die hem langs Coblents muur zag golven,
Herziet hem hier! maar ach! in ruigte en wier bedolven.
Hij mijmert an zijn’ zoom met waggelende treên,
Denkt aan het ond Karthaag’! en gaat in wecmoed heen.

Is, Neêrland! dit uw beeld? moet, uit die flaauwe trekken,
Mijn hart, dat voor u gloeit, uw nadrend lot ontdekken? —
Klein waart gij, als de Rijn, bij uw’ geboortestond,
Naauw waardig dat een volk zich vestigde op uw’ grond.
Allengskens aangegroeid, zaagt gij uit uw moerassen,
Bij steden van arduin, en tucht, en welvaart wassen.
Geontwrongt, met jonglingsmoed u’s Ibers overmagt,
En bliksemde op de zee in volle mannenkracht.
Aan ‘t hoofd der volken scheen uw luister elk in de oogen,
En hield, gelijk de Rijn, elk’ vreemdling opgetogen!
Ach! zult gij, als die stroom, bezwijken in uw’ loop?
De uitfluiting zijn der aard’? de schandvlek van Euroop’?
Neen, neen! der Vadren roem verspreidt te sterk een’ luister;
En ‘t kroost van zulk een volk zinkt niet geheel in ‘t duister.
Gij, die der volken lot voor de eeuwigheid vermeldt,
Geschiedkunde! open mij uw groot, uw leerzaam veld.
O Vaderland! ‘k zie dáár uw’ naam onsterflijk pralen,
En aller volken glans verduisterd door uw stralen;
Op de eeuwge zuil des roems staat Neêrlands naam gedrukt,
En wordt door vreemden trots daar nimmer uitgerukt. (…)

(Jan Frederik Helmers)

De Hollandsche natie. (Voorgezang.)

Bardenzang.
Koor van Barden.

Barst los! Bezielt u, heilge soaren!
De lofzang ruisch’ deze eiken rond:
‘t Gevoel stroome uit u hart, gewijde priestrenscharen!
Heft aan, o Wodans harpenaren!
‘t Geld de eer van d’ouderlijken grond.

Twee Barden.

(…) Wat oorden, in zijn kronklend zwieren,
De Rijngod met zijn urn bespaat,
Het schoon gewest der Batavieren
Schenkt hij een’ dubblen waterschat.
Waar wrocht natuur ooit schooner weiland,
Dan hier, op dit gelukkig eiland?
De grond biedt hier een zee van graan,
‘t Wild springt in schaauw der eiken kruinen,
En ‘t strand schenkt ons zijn eeuwge duinen
Ter borstweer tegen d’oceaan.
Roemt, Romers! op uw lauwerbosschen!
Onze eik staat als der boomen vorst.
Wat pocht ge op purpren druiventrossen!
Het nat des Rijns lescht ook den dorst.
Wat stoft ge op marmren schouwtooneelen!
Daar moet gij, slaven! zelf op spelen,
Bevallig sneven naar de kunst!
Gelukkig, zoo gij, in uw sterven.
Een nietig oogmerk moogt verwerven,
Een schandlijk blijk van ‘s dwinglands gunst. (…)

(Das Lob der Bataver, der germanischen Frühbevölkerung der Niederlande, im Vorgesang von Jan Frederik Helmers’ Epos „De Hollandsche natie“, in einem exemplarischen Ausschnitt. Die Barden preisen das konservativ-erdverbundene Germanentum im Abgleich mit dem römischen Fortschritt: der Rheingott sorgt für alles Notwendige, das Eigene ist das Wahre und Gute, das Fremde überflüssiger Bockmist. Die Dünen bilden das mehrdimensionale Elektroenzefalogramm der rheingeäderten Volksseele. Helmers trotzige Spitze, der Bataver habe, weil er das Rheinwasser besitze, den Wein nicht nötig, findet gleichsam vorab bei Tacitus ihre Relativierung: “Potui umor ex hordeo aut frumento, in quandam similitudinem vini corruptus: proximi ripae et vinum mercantur. Cibi simplices, agrestia poma, recens fera aut lac concretum: sine apparatu, sine blandimentis expellunt famem. Adversus sitim non eadem temperantia. Si indulseris ebrietati suggerendo, quantum concupiscunt, haud minus facile vitiis quam armis vincentur.”)

Rijndoorst: Sonderausgabe der DW B über den Rhein aus flämisch-niederländischer Sicht

Die Dietsche Warande & Belfort (DW B) erscheint heuer im 158. (!) Jahrgang und ist somit die älteste noch existierende Literaturzeitschrift in niederländischer Sprache. Ob die DW B sich in ihrer langen Geschichte bereits gesondert dem Rhein gewidmet hat, ist uns nicht bekannt. Diesen Oktober erschien mit “Rijndorst” eine Themenausgabe, in der sich belgische, britische und niederländische AutorInnen (sowie rheinsein als deutscher Beiträger) mit rheinischer Geschichte und Gegenwart beschäftigen.

Herausgeber Bas Groes analysiert im Vorwort „Mythologieën van verlies: de Rijn in de eenentwintigste eeuw“ die Rolle des Stroms als europäisches Symbol in Zeiten der „Ökonomisierung, Banalisierung, Balkanisierung und Trivialisierung des kulturellen Erbguts“, stellt Vergleiche mit der Themse an und zieht, mit den AutorInnen der Ausgabe, den Bogen von der rheinischen Sagenwelt um Wagners Rheintöchter bis in die heutige, auf neoliberalistischem Dung gedeihende Gesellschaft.

B. Zwaal schickt einen Wassertropfen aus dem Reno di Lei auf lyrisch-lakonische Reisen. Der „druppel“ „loreleyt niet“, „nibelingt niet“ und verliert sich schließlich Richtung Themse in einem Deltageäder, das bis Calais im nördlichen Süden und in ein Wolgalied im tiefen Osten reicht.

Den Wasserwegen auf Höhe der Merwede widmet Jan van Mersbergen zusammenhängende Miniaturen: „Met de kano peddelde ik over hele grote bladeren die als eilanden in het water lagen. Ik dacht aan de poster die vroeger in mijn kamer an de muur hing. Er stond en doorsnede op van een Hollandse sloot. Met vissen, planten, kleine beestjes. De sloot op de poster leek helemaal vol leven te zitten. Dat kende ik niet, want in de sloten bij ons in de polder leek vooral kroos te groeien. Er zat wel wat vis, kleine visjes, maar dat was het wel. Ik voer ook langs mooie wite waterbloemen. Later heb ik opgezocht hoe ze heten. Ik voer naar het kanaal. Daar tilde ik de kano van het riviertje in het kanaal, bij het betonnen aquaduct. Ik peddelde het recht uitgegraven kanaal uit. Gegraven door machines, hoopte ik, want ik had wel eens gehoord dat werklozen ingezet werden om kanalen te graven en de klei is hier zwaar en na een paar steken zit je hier op het grondwater en dan loopt ieder gat vol en wordt het noog zwaarder. De bruggen hebben gele relingen hier. Betonnen bruggen met asfalt erop. Het geel steekt af tegen de lucht, vanaf het water gezien, en tegen het gras en het water als je op de weg staat. Ik rookte een sjekkie, zittend op die reling.“

Atte Jongstra schickt, frei nach Jan Frederik Helmers, ein Selbstportrait des Rheins „vol liefde“ auf den Weg, verknüpft in seinen Zeilen die Vatereigenschaften des Stroms mit der Loreley mit der Unbefleckten von Lobith mit den schönen Dünen Katwijks, um hernach Joep Leerssens kurze Geschichte der niederländisch-belgischen Rheindichtung (und worin sie sich von der deutschen abhebt) zu skizzieren.

In „Drijfijs“ treibt Miek Zwamborn auf Zeitreise durch Europa, meist entlang des Rheins, läßt sich von getrockneten Blüten und alten Burgen leiten, schlägt mit Franz Reichelt und seinem unzureichenden Fallschirm bei seinem Todessprung vom Eiffelturm ein 14 Zentimeter tiefes Loch in den gefrorenen Boden von Paris und läßt uns am Konstanzer Wasserwunder teilhaben, als der Rhein eines Vormittags rückwärts floss.

In Düsseldorfer Rheinszenarien versetzt uns John Worthen, der Robert Schumanns letzte Tage auf Erden beschreibt, inklusive seines gescheiterten Selbsttötungsversuchs im eiskalten Strom, bevor sechs unserer Liechtenstein-Sonette aus Das Lachen der Hühner, in niederländischer Übertragung von Lucas Hüsgen, den Rheinschwerpunkt beschließen.

Die DW B hat eine schöne Website, die nebst Leseproben aus “Rijndorst” auch die üblichen Bestellmöglichkeiten bietet.