Niemand is tevreden met zijn lot.

Als het visje leit gevangen
Daar het nooit te voren lag,
Straks zo krijgt’et groot verlangen,
Om te wezen daar het plach;
Maar een ander, afgedreven
Van de Maas of van de Rijn,
Komt ontrent de fuike zweven,
En begeert’er in te zijn.
Wie heeft vreemder ding gelezen ?
Nooit en is de mens gerust,
Is’et niet een zeldzaam wezen ?
Niemand heeft’er volle lust:

Schoon men komt tot hoge staten,
Schoon men heeft geduchte macht,
Schoon men krijgt ook grote baten,
Nog is ’t, dat men meerder wacht.
Vrienden, laat u vergenoegen
Met dat u de hemel geeft,
Wilt u na de reden voegen,
Dat is ’t beste dat men heeft.
Waarom wensen, hopen, schromen?
Waarom altijd weder aan ?
Schoon gij mocht’et al bekomen,
’t kond’ u dan ook slimmer gaan.

Jacob Cats (1577-1660)


Stichworte:
 
 
 

Kommentar abgeben: