De Rynstroom (5)
O suivre en blancke Rynmeermin,
Die my tot stervens toe kunt kittlen,
Ghy helpt veel sielen aen gewin,
En menigh Graef aen eeretittlen,
En landen aen een` hoogen naem.
Hoe menigh heeft u overtogen,
En met uw rand bepaelt syn faem?
Hoe dickwils saeght ghy met uw oogen
Het hooghgeboren Hollandsch bloed,
En voelde in `t water synen gloed?
Het sy ick dan mijn ooghen sla
Op uw bisschoppelijcke torens:
Of met een lent van vaersen ga
Bevlechten uwe silvre horens:
Of volgh uw` wuften ommeswaey:
Of sing op `t ruisschen van uw baeren:
Of huppel op mijn Keulsche kaey:
Of koom door Bazel afgevaeren,
Daer ghy Erasmus grafste kust,
En wenscht het wijs gebeente rust.
Het sy ghy `s Keysers vierschaer schaeft
Te Spier, dat swart van pleiters grimmelt,
Daer Themis, grijs en afgeslaeft,
Bekommert sit, en `t pleit beschimmelt:
Het zy ghy brult in `t Binger loch:
Of Neerland drenckt met volle vaten,
En groeien doet van wijngersogh,
En ydle en sotte sorgen haeten:
Uw vocht bestelt mijn veder inckt,
Tot datse in zee met u verdrinckt.
Stichworte: Basel • Binger Loch • Erasmus von Rotterdam • Joost van den Vondel • Köln • Niederlande • Rhein • Speyer • Themis
