De Rynstroom (4)

Ghy slingert, als de Griecksche slang,
Uw blaeuwe krullen om de struicken,
En groene bergen breed en lang,
En swelleght in soo veele kruicken
Van stroomen, dat uw lichaem swelt
Van watersucht, en parst de planten,
En schuurt soo menigh vruchtbaer veld,
En knabbelt aen de ruige kanten,
Nu tusschen bergh en krommen bult,
Nu door een dal, met wijn gevult.

Al is uw eene keel versand,
Die `t huis te Britten plagh te schaeven,
Dat nu verdroncken leit op strand;
De Leck en d` Yssel doorgegraeven
Vergelden dubbel dese scha,
En leiden u met hooge dijcken
In zee, op dat uw ongena
De vlacke beemden niet koom strijcken
Met macht van regen, en geweld
Van sneeuw, dat inde sonne smelt.

De heldre en starrelichte vliet,
Die door den hemel vloeit by duyster,
Is d` Italjaensche Padus niet,
Nocht oock de Nyl, Egyptens luister,
Neen seker, `t is de rijcke Rijn,
Wiens visschen, met een wuft gewemel,
In `t onbevleckte kristallijn
Van eenen onbetrocken hemel,
Met silvre schubben, silverklaer
Als starren dolen, hier en daer.


Stichworte:
 
 
 

Kommentar abgeben: