De Rynstroom (2)

Maer uw geloovigh Christendom
Beproeft werd, als het goud in d` oven,
Doen Attilaes verwoede trom
`t Geruisch uws waters quam verdooven,
En verwde met onnosel bloed
En damde uw kil met kuische dooden,
En trapte met een` droncken voet
Op woeste steden, leegh gevloden,
Of brande uw hair af met syn toorts,
Beklad en druipend van veel moords.

Ghy schreide met een heesche keel
Den hemel aen, om troost verlegen,
Die sond u Karel, `t Rycksjuweel:
Dees kon d` onveilige oevers veegen
Van onduitsch en baldaedigh schuim,
Gelijck uw Constantijn vorheenen.
Doen kreeght ghy uwe randen ruim,
En saemelde uw verstroide steenen,
En saeght dien held vol godesvrucht
Syn` lusthof planten in uw lucht.

O onvermoeide molenaer,
O stedebouwer, schepedraeger,
O rijxgrens, schermheer in gevaer,
Wijnschencker, veerman, overknaeger,
Papieremaecker, schaf papier,
Daer ick uw glori op magh schryven,
Uw water dat ontvonckt mijn vier.
Mijn sinnen in uw wedde dryven,
En speelen als een dartle swaen,
Verleckert op uw wijngaerdblaen.


Stichworte:
 
 
 

Kommentar abgeben: